Materiaal en oefeningen

Oefening – “Wat is dit ?”

                                     
Materiaal en oefeningen socrates

Kennismaken met een Socratisch gesprek

 

Een socratisch gesprek is een gesprek waarin de deelnemers de geldigheid van hun redeneringen en de waarheid van hun opvattingen over hun ervaringen onderzoeken. Ze doen dat in een groep die probeert een dialoog met elkaar te voeren. Een socratisch gesprek vangt aan met een moment uit de eigen ervaring van een van de deelnemers dat de groepsleden interessant vinden om te onderzoeken en/of een goed geformuleerde vraag waarover filosofisch onderzoek kan worden gepleegd. Enkele voorbeelden :

  •    Wat mag je van een ander verwachten?
  •    Wanneer is zwijgen beter dan spreken?
  •    Wat doe je beter samen?Een goed gesprek is een gesprek waarin de deelnemers :
  1. hun werkelijk standpunt over een kwestie durven/kunnen innemen en formuleren
  2. hun algemene bevindingen kunnen concretiseren in aantoonbare ervaringen
  3. goede argumenten kunnen aanleveren voor hun standpunt
  4. het onderzoek naar de vraag waarover ze het samen willen hebben niet opgeven
  5. kunnen herhalen wat ze zelf hebben gezegd en wat anderen hebben gezegd
  6. zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen.

Korte werkvorm (duur ongeveer 20 minuten, met een groep van min. 4 max 12 personen)

  1. De begeleider neemt een object naar keuze dat er een beetje ‘problematisch’ uitziet
  2. De begeleider plaats het object in het midden van de groep en geeft de opdracht mee :‘Tracht een gezamenlijk antwoord te vinden op de vraag : “Wat is dit?” je krijgt hiervoor 10minuten tijd’.
  3. Gedurende het gesprek :
    1. Doet de begeleider niets (voor beginners)
    2. Stuurt de begeleider op de bovenstaande items (voor gevorderden)
  4. Na exact 10 minuten legt de begeleider het gesprek stil en vraagt aan iedere deelnemer apartwat nu het antwoord is op de vraag. Hij stelt vast of dit antwoord gezamenlijk is of niet.
  1. De begeleider nodigt iedereen uit om voor zichzelf op te schrijven wat ze hebben gedaan in het licht van bovenstaande 6 items. Je kan ook vragen om dit voor elkaar op te schrijven.
  2. In een nagesprek wordt onderzocht waarom sommigen op sommige items al dan niet goed scoren.

 

De grot van Plato – oefening

K. Van Rossem

Inleiding

De oefening is genoemd naar ‘de grot van Plato’. In dit beroemd verhaal, geciteerd in De Staat, vertelt Plato hoe Socrates zijn gesprekspartners ‘bevrijd’ uit de vermeende kennis. Die vermeende kennis over de werkelijkheid komt tot stand door ononderzochte oordelen van mensen over hun waarnemingen. Socrates haalt mensen volgens dit verhaal uit de ‘oppervlakkigheid’ van oordelen over de uiterlijke werkelijkheid (vb. “Dat schilderij is mooi”) om op onderzoek te gaan naar de achterliggende begrippen, aannames in de innerlijke werkelijkheid van elk individu.

In deze oefening mag de gespreksleider de gesprekspartner enkel vragen stellen. Hij/zij mag geen bevestigende interventies doen als hummen, knikken, parafraseren etc. Hij/zij bewaart de empatische nulstand, de socratische houding.

De gespreksleider stuurt in zijn vraagstelling de partner van een beschrijving van de ervaring (in de feitelijke werkelijkheid buiten hem of haar) tot een eigen oordeel over de gebeurtenis. Nadat hij dit heeft bereikt, stuurt hij/zij via louter vraagstelling verder tot hij de partner brengt tot het reflecteren over dit oordeel. Het doel van de oefening is dat de gesprekspartner zich afvraagt : 1. Wat vind ik nu van mijn ervaring (in het kort)? 2. Welke redenen heb ik nu om dit te vinden?

Belangrijk : de onderstaande vragen zijn niet bepalend noch richtinggevend. In elke situatie moet de vraagsteller zelf de vragen zoeken die op dat moment de juiste zijn. Onderstaand lijstje is er enkel om aan te geven welke soort vragen je stelt om iets te bereiken. Ze geven mogelijk houvast bij het uit elkaar halen van de verschillende niveau’s en bij de sturing in het gesprek.

Oefening

1. Vragen naar de feitelijke ervaring :

  • –  Wat is er precies gebeurd?
  • –  Wie was er bij betrokken?
  • –  Wanneer gebeurde dat precies?
  • –  Hoe heeft hij/zij dat aangepakt?
  • –  Hoe lang duurde het?
  • –  Hoe reageerden de anderen?
  • –  ………

2. Vragen naar de eigen beleving, de waarneming van de feitelijke ervaring

  • –  Wat riep dat bij je op?
  • –  Wat ging er door je heen op dat moment?
  • –  Wat zag je allemaal?
  • –  Wat dacht/voelde je toen?
  • –  Hoe voel je je hier nu bij?
  • –  …………..

3. Vragen naar de opvatting over die beleving

  • –  Wat vind je hier nu van?
  • –  Wat is in al wat je nu zegt nu de kern?
  • –  Kan je dat in één zin wat scherper zeggen (+ zonder ‘ik vind’ er aan toe te voegen)?
  • –  Over welk moment in je ervaring gaat die opvatting?
  • –  Wie zijn de Xen in je opvatting en wanneer speelt zich dat af?
  • –  …………..

4. Vragen naar de argumenten

  • –  Waarom vind je wat je vindt?
  • –  Welke argumenten heb je voor deze opvatting?
  • –  Waarom is het waar wat je zegt?
  • –  Heb je ook een ander voorbeeld dat illustreert wat je vindt?
  • –  ……………….

5. Verdere onderzoeksvragen

  • –  Is je redenering geldig? Waarom?
  • –  Zijn je argumenten waar? Hoezo?
  • –  Klopt het dat het om die redenen zo is?
  • –  Met welke waarden en principes heeft dit te maken?
  • –  Welke waarden en/of principes zitten achter je argumenten?
  • –  Waar ga je van uit als je dat zegt?
  • –  ……………….

Phone: +32 473 71 58 35
Kokerijstraat 90
B 9310 Meldert